Een trombose behandeling (antistollingsbehandeling) zorgt ervoor dat uw bloed minder snel stolt. Daarmee wordt het groeien en het ontstaan van bloedstolsels voorkomen. Zo’n bloedprop zou namelijk los kunnen raken en ergens anders in uw lichaam een vat kunnen afsluiten, waardoor er – bijvoorbeeld – een long-, hart- of herseninfarct ontstaat. Het behandelen van trombose is dus van levensbelang.

Soorten antistollingsmiddelen

Antistollingsmiddelen worden ook wel anti-trombotica, bloedverdunners of anticoagulantia genoemd. In Nederland worden drie soorten antistollingsmiddelen gebruikt:

  • Cumarines*
    Door het slikken van cumarines creëert u een kunstmatig vitamine K-tekort, wordt het bloed minder stolbaar en de kans op trombose kleiner. Er blijven natuurlijk nog genoeg stollingsfactoren over om een wond(je) te dichten. Cumarines hebben een langere werkingsduur, bekende soorten zijn acenocoumarol (merknaam Sintrom) en fenprocoumon (merknaam Marcoumar).

  • Heparines
    Heparines of laagmoleculair gewichtsheparines worden preventief en acuut (middels een injectie) ingezet om een gevaarlijke of acute trombose af te remmen, of te voorkomen.

  • NOAC’s / DOAC’s
    Sinds 2008 zijn er nieuwe antistollingsmiddelen – directe orale anticoagulantia ofwel DOAC’s – verkrijgbaar. Deze tabletten hebben een korte werkingsduur en stoppen de werking van één specifiek stollingseiwit.

Uw behandelend arts of specialist bepaalt welk antistollingsmiddel u het beste kunt gebruiken. Elk antistollingsmiddel heeft namelijk zo zijn eigen voor- en nadelen en zijn niet per se zomaar voor iedereen geschikt. Bij De Nationale Trombose Dienst (NTD) wordt uitsluitend gewerkt met cumarines. De dosering verschilt per persoon, als u start met Trombose Zelfzorg ontvangt u een persoonlijk doseerschema voor een optimale antistollingsbehandeling.

Voor persoonlijke ervaringen, voordelen, nadelen en eventuele bijwerkingen van bovenstaande verschillende soorten antistollingsmedicatie kunt u terecht op mijnmedicijn.nl, lareb.nl of apotheek.nl.

* Cumarines worden ook wel vitamine K-remmers of vitamine K-antagonisten (VKA’s) genoemd.

Zelfmeten

Gaat u van start met Trombose Zelfzorg? Dan ontvangt u – na afronding van de e-learning – tijdens de intake met de stollingsverpleegkundige uw zelfmeetapparaat: de qLabs ElectroMeter. U krijgt het meetapparaat in bruikleen, het is betrouwbaar en eenvoudig te bedienen. Na de intake kunt u direct van start met uw antistollingsbehandeling.

Periodieke controle van de meetapparatuur is niet nodig. Als de meting niet correct is uitgevoerd, of het apparaat niet volgens de veiligheidsnormen werkt, dan geeft het vanzelf een foutmelding. Is het meetapparaat onverhoopt defect? U heeft binnen enkele dagen een nieuwe in huis.

INR-waarde

Als u cumarines slikt, dan is het belangrijk om regelmatig uw INR-waarde te meten. De INR-waarde geeft namelijk aan hoe snel het bloed stolt. Van nature is de waarde rond de 1. Een INR-waarde van 3 betekent dat het bloed dus 3 x langzamer stolt dan normaal: In plaats van in 15 seconden, stolt het bloed pas na zo’n 45 seconden. Aan de hand van uw INR-waarde kunt u zien of u binnen het – door uw arts of specialist voorgeschreven – streefgebied valt.

Streefgebied

Het INR-streefgebied is afhankelijk van de reden waarom u antistollingsmiddelen gebruikt. Is er een grote kans op trombose? Dan is het streefgebied hoger. Is er juist meer kans op een bloeding, dan is het streefgebied lager.

In Nederland hanteren we twee streefgebieden:

  • Een INR-waarde tussen 2.0 en 3.0
  • Een INR-waarde tussen 2.5 en 3.5

Om complicaties te voorkomen is het essentieel uw INR-waarde zo goed mogelijk binnen het streefgebied te houden.

INR-schommelingen

Als de INR-waarde (langdurig) buiten het streefgebied valt, zal ons doseerteam uw doseerschema aanpassen. Dat gebeurt in kleine stappen. Een té abrupte aanpassing kan namelijk een instabiele antistolling (INR-schommelingen) veroorzaken, waardoor de kans op bloedstolsels of bloedingen onnodig toeneemt.

Ook zaken als leefstijl, stress, voeding, ziekte, andere medicatie en erfelijke factoren kunnen uw antistollingsbehandeling (negatief) beïnvloeden. Precies weten welke? En hoe u INR-schommelingen tijdens uw trombose behandeling zoveel mogelijk kunt voorkomen? Het antwoord daarop – en op meer medische vragen – vindt u op de pagina vraag en antwoord.

Het doseerteam houdt uw INR-waardes en eventuele schommelingen nauwlettend in de gaten. Indien nodig passen zij uw doseerschema aan. Wel zo’n veilig idee, toch?