Tromboseprofylaxe

tromboseprofylaxe

Tromboseprofylaxe

Wat is tromboseprofylaxe? En wat is de optimale profylaxe voor trombose? U leest het hier.

 

Wat is tromboseprofylaxe?

Tromboseprofylaxe – ‘profylaxe’ betekent preventie – is een verzamelnaam voor allerlei maatregelen die genomen kunnen worden, om de vorming van bloedstolsels in de bloedvaten – en daarmee trombose en/of een longembolie– te voorkomen.

 

Voorkomen van trombose

Dat hoeven niet per se medicijnen of medische hulpmiddelen te zijn! Zo zijn voldoende water drinken en regelmatig bewegen ook (natuurlijke) manieren om trombose te voorkomen.

Als u echter al eens te maken heeft gehad met trombose of een grotere kans heeft om trombose te krijgen, dan zal in de meeste gevallen een (aanvullende) tromboseprofylaxe worden voorgeschreven om het risico op vervelende gezondheidsrisico’s of zelfs overlijden door een volgende trombose, te voorkomen.

Veelvoorkomende tromboprofylaxe zijn:

  1. Medicamenteuze tromboseprofylaxe
    Als u antistollingsmiddelen – in de vorm van een pil of injectie – toegediend krijgt om de stollingsneiging van het bloed te verminderen, dan wordt dat medicamenteuze tromboseprofylaxe genoemd.
  2. Mechanische tromboseprofylaxe
    Bij mechanische tromboseprofylaxe maakt de behandelend arts/specialist (ook) gebruik van compressiekousen (steunkousen) en/of compressietherapie (Intermitterende Pneumatische Compressie ofwel IPC), wat helpt om trombose in de dieper gelegen aderen – een DVT – te voorkomen.
  3. Beweging
    Bewegen is eigenlijk een natuurlijke vorm van tromboseprofylaxe, dat helpt om het risico op trombose te verminderen. Door regelmatig te bewegen – met name bij zittend/staand werk, beperkte mobiliteit en/of bedlegerigheid, bijvoorbeeld bij ziekte of na een operatie – stimuleert u uw bloedcirculatie, waarmee u een vertraagde bloedstroom (stasis) zoveel mogelijk voorkomt.
  4. Hydratatie
    Drink voldoende om de bloedviscositeit zo laag (dus uw bloed zo vloeibaar als) mogelijk te houden: hoe groter de viscositeit, hoe dikker het bloed. Dus hoe lager, hoe minder viskeus het bloed. Met als gevolg een betere bloeddoorstroming en minder kans op bloedstolsels.
  5. Chirurgische interventie
    De laatste in de rij van tromboseprofylaxe is een chirurgische ingreep om de mogelijke gevolgen van trombose zoveel mogelijk te beperken, denk bijvoorbeeld aan het – na een herseninfarct – wegzuigen van een stolsel in de afgesloten slagader via een katheter in de lies (een trombectomie).

▶️ Ontdek – naast trombose door een vertraagde bloedstroom – nog twee belangrijke factoren voor trombose in het artikel ‘De Trias van Virchow’.

 

Welke behandeling na trombose?

Voor welk type tromboseprofylaxe de behandelend arts/specialist kiest, hangt af van verschillende factoren. Denk aan:

  • De ernst van de situatie
  • De specifieke situatie waarvoor tromboseprofylaxe nodig is
  • De medische geschiedenis van de persoon in kwestie
  • De mate van het risico op (een volgende) trombose
  • Het bloedingsrisico
  • Andere individuele risicofactoren

Niet elke vorm van tromboseprofylaxe is namelijk zomaar op iedereen en in elke situatie toepasbaar. De zorgprofessional bepaalt op basis van uw persoonlijke situatie welke antistollingsbehandeling (en daarbij horende middelen en/of antitromboticum) op dat moment het beste bij u past.

 

Wanneer preventieve antistolling?

Ook al heeft u nog nooit te maken gehad met trombose – gelukkig maar – dan kan het in sommige situaties toch voorkomen dat de behandelend arts/specialist u tromboseprofylaxe voorschrijft. Bijvoorbeeld bij:

  • Gips i.v.m. een beenfractuur (gebroken been)
  • Een kijkoperatie, chirurgische of gynaecologische ingreep
  • Een situatie waarbij je langdurig bedrust voorgeschreven krijgt (bedlegerigheid)

Daarbij is het risico op trombose namelijk gemiddeld tot aanzienlijk, daarom krijgt u dan preventief medicatie om de vorming van een bloedpropje te voorkomen. Maar ook bij een relatief laag risico op trombose, kan het zijn dat toch trombotische profylaxe wordt voorgeschreven. Bijvoorbeeld bij:

  • Een leeftijd boven de 75 jaar
  • Een verhoogd (erfelijk) risico op trombose
  • Morbide obesitas
  • Een laagrisico operatie (bijvoorbeeld een liesbreuk)
  • Andere medische aandoeningen

… of als u eerder trombose heeft gehad. Meestal is dat in de vorm van (intraveneuze en/of orale) antistollingsmiddelen – al dan niet in combinatie met mechanische hulpmiddelen zoals steunkousen.

Daarmee wordt de stollingsneiging van het bloed – en daardoor het risico op ernstige, levensbedreigende gevolgen door een verminderde bloedtoevoer naar organen, weefsels en/of ledematen – aanzienlijk tegengegaan.

 

Vier soorten antistollingsmiddelen

Er zijn vier verschillende soorten medicamenteuze tromboseprofylaxe ofwel antistollingsmiddelen (in de volksmond ook wel ‘bloedverdunners’ genoemd):

  1. Vitamine K antagonisten (VKA’s)
  2. Parenterale (subcutane) anticoagulantia
  3. Directe orale anticoagulantia (DOAC)
  4. Bloedplaatjesremmers

1. Vitamine K antagonisten

Vitamine K-antagonisten (VKA’s) zijn medicijnen in de vorm van pilletjes die worden voorgeschreven om de bloedstolling te vertraging.

Werking VKA
VKA’s blokkeren de werking van vitamine K, een belangrijke vitamine die betrokken is bij de productie van stollingsfactoren in de lever. Daardoor neemt de stollingsneiging van het bloed af en wordt het risico op een bloedprop en trombose verminderd.

Dit type antitromboticum in tabletvorm wordt vaak ingezet bij:

  • Een diep veneuze trombose (DVT)
  • Een longembolie (PE)
  • Hartritmestoornissen zoals atriumfibrilleren
  • Iemand met een voorgeschiedenis van trombose
  • Iemand met een verhoogd risico op trombose, bijvoorbeeld door een erfelijke aandoening

Trombose patiënten die VKA’s voorgeschreven krijgen, meten tegenwoordig veelal zelf hun bloedstollingswaarde (INR-waarde) en ontvangen naar aanleiding daarvan periodiek een persoonlijk doseerschema op maat.

▶️ Lees ook: ‘Naar de prikpost of zelfmeten?’

2. Parenterale (subcutane) anticoagulantia

Parenterale (subcutane) anticoagulantia is een medische term voor antistollingsinjecties. Deze vorm van bloedverdunners wordt vaak toegepast in acute situaties, of als het orale antistollingsmiddel niet goed/snel genoeg werkt.

Werking bloedverdunnende injecties
Subcutane anticoagulantia wordt vlak onder de huid geïnjecteerd, zodat de werkende stof snel maar geleidelijk in de bloedbaan wordt afgegeven. Een veelvuldig toegepaste vorm van parenterale anticoagulantia – antistollingsmiddelen die niet via de reguliere weg (het maag-darmkanaal) in het bloed worden opgenomen – is een LMWH-injectie.

3. Direct orale anticoagulantia (DOAC’s)

Ook deze relatief nieuwe vorm van antistolling zorgt ervoor dat het bloed minder snel stolt. Waarbij VKA’s de stollingsproductie verminderen, hebben DOAC’s rechtstreeks invloed op een van de stollingseiwitten. Een DOAC is echter niet zomaar voor iedereen geschikt. Lees hier hoe dat precies zit.

4. Bloedplaatjesremmers

Anti-aggregatiemiddelen – ‘bloedplaatjesremmers’ – zijn een lichtere vorm van tromboprofylaxe. Ze zorgen ervoor dat de bloedplaatjes (trombocyten) minder snel samenkleven (aggregeren).

Bloedplaatjes spelen namelijk een belangrijke rol bij de vorming van een bloedstolsel, doordat ze zich hechten aan beschadigde bloedvaten. Bloedplaatjesremmers verstoren dat proces. Een bekende, andere lichte bloedverdunner is aspirine, door de stof ‘acetylsalicylzuur’ die daarin zit.

 

Tot slot

Zodra u te maken krijgt met gezondheidszorg, dan vliegen de – vaak lastige – medische termen u om de oren. Met dit artikel over tromboseprofylaxe hopen wij die informatie wat begrijpelijker en toegankelijker te maken.

Heeft u nog vragen over dit onderwerp, of over een antistollingsbehandeling via Trombose Zelfzorg van De Nationale Trombose Dienst? Laat het ons weten.

(Trombose)zorg voor uzelf. Altijd & overal.

 

Andere blogs

Andere artikelen die u wellicht ook interessant vindt: